Breijer, J.F. - MWO4 - Maj. - KNIL

Forumonderdeel waarin de resultaten van het onderzoek van Ed van Engeland en Erik Naberhuis overzichtelijk geplaatst kunnen worden.
Gebruikersavatar
Roel
Moderator
Berichten: 2497
Lid geworden op: 12 Jun 2007, 07:42
Locatie: -Limburg-
Contact:

Berichtdoor Roel » 21 Aug 2008, 20:39

Enig idee over de overige twee dragers?
Heeft u informatie over items uit mijn collectie? Neem dan contact met mij op..
beheerder http://www.onderscheidingenforum.nl
Lid van SRO en OMSA

ErikMuller
Berichten: 702
Lid geworden op: 26 Jun 2007, 21:44
Contact:

Berichtdoor ErikMuller » 21 Aug 2008, 20:52

2 vermoedelijke dragers... heb ze nog niet bevestigd kunnen krijgen. Info komt uit een krantenartikeltje dat ik ooit eens overgepend heb. Maar de eerste opzoekingen in de Britse registers hebben 0 opgeleverd

Gebruikersavatar
Roel
Moderator
Berichten: 2497
Lid geworden op: 12 Jun 2007, 07:42
Locatie: -Limburg-
Contact:

Berichtdoor Roel » 21 Aug 2008, 20:54

Heb je de mogelijke namen al eens door kranten.kb.nl en door het online archief van de London gazette gehaald?
Heeft u informatie over items uit mijn collectie? Neem dan contact met mij op..
beheerder http://www.onderscheidingenforum.nl
Lid van SRO en OMSA

ErikMuller
Berichten: 702
Lid geworden op: 26 Jun 2007, 21:44
Contact:

Berichtdoor ErikMuller » 21 Aug 2008, 20:56

tuurlijk... 0,0 respons... de krant waar ik het uit had gehaald was een lokale krant van Batavia uit die periode. Waarop stond dat de officier en beide onderofficieren getooid waren met "den Britschen medaille voor den Burmah-veldtogt". Op de bijgaande foto staat een officier (Breyer) en twee sergeant(-majoors?) van het KNIL, inderdaad met Britse medailles op.

Gebruikersavatar
Roel
Moderator
Berichten: 2497
Lid geworden op: 12 Jun 2007, 07:42
Locatie: -Limburg-
Contact:

Berichtdoor Roel » 21 Aug 2008, 21:01

Onderofficieren. Dan kunnen we ook niet veel met een ranglijst.

Ik heb een hekel aan een dood spoor.....
Heeft u informatie over items uit mijn collectie? Neem dan contact met mij op..
beheerder http://www.onderscheidingenforum.nl
Lid van SRO en OMSA

ErikMuller
Berichten: 702
Lid geworden op: 26 Jun 2007, 21:44
Contact:

Berichtdoor ErikMuller » 21 Aug 2008, 21:11

Nopes... daarom moet het National Archive in Londen ook uitsluitsel gaan bieden. Maar helaas... tot op heden (ben er nu 2x geweest) nog niets kunnen vinden en de volgende keer wil ik toch echt met de Nederlandse DSO's, DSC's, DFC's, AFC's, etc. aan de gang.

(de resultaten van de laatste maand Nationaal Archiefbezoek in Den Haag staan overigens sinds vanmorgen weer online: weer veel nieuwe BK's en KV's toegevoegd ;))

Gebruikersavatar
tuppie65
Berichten: 468
Lid geworden op: 18 Jun 2007, 22:48
Locatie: Nijmegen

AFC (Airforce Cross) aan Nederlanders 2x

Berichtdoor tuppie65 » 21 Aug 2008, 22:56

Afbeelding

J H Rijkhof

W J Reijnierse tevens Legion of Merit, Bronzen Leeuw en Vliegerkruis
Laatst gewijzigd door tuppie65 op 21 Aug 2008, 23:07, 1 keer totaal gewijzigd.

Gebruikersavatar
tuppie65
Berichten: 468
Lid geworden op: 18 Jun 2007, 22:48
Locatie: Nijmegen

DSC (Distinguished Service Cross) aan Ned. Vliegers 3x

Berichtdoor tuppie65 » 21 Aug 2008, 23:02

Afbeelding

W Saltykoff + Vliegerkruis

H de Wit + Vliegerkruis, Ohk met 4 gespen en MID

G J Zegers de Beijl + Vliegerkruis
Laatst gewijzigd door tuppie65 op 21 Aug 2008, 23:07, 1 keer totaal gewijzigd.

Gebruikersavatar
tuppie65
Berichten: 468
Lid geworden op: 18 Jun 2007, 22:48
Locatie: Nijmegen

DFM (Distinguished Flying Medal) aan Nederlanders 7x

Berichtdoor tuppie65 » 21 Aug 2008, 23:07

Afbeelding

K van Tongeren + Bronzen Leeuw

W de Vries + Vliegerkruis

J H Harms + Vliegerkruis

G v Haarlem + Vliegerkruis

D Schröder

J Kuiper

H J Holleman

Gebruikersavatar
tuppie65
Berichten: 468
Lid geworden op: 18 Jun 2007, 22:48
Locatie: Nijmegen

D S O (aan Nederlanders)

Berichtdoor tuppie65 » 21 Aug 2008, 23:21

Afbeelding

H V B Burgerhout + MWO.4 , Vliegerkruis en Oorlogskruis België 1940-1945 met palm

Afbeelding
H V B Burgerhout
Laatst gewijzigd door tuppie65 op 23 Aug 2008, 10:48, 1 keer totaal gewijzigd.

ErikMuller
Berichten: 702
Lid geworden op: 26 Jun 2007, 21:44
Contact:

Berichtdoor ErikMuller » 23 Aug 2008, 00:04

Deze discussie heb ik ook al eens met Henny proberen te voeren, maar Godefroy had de Canadeze nationaliteit en kan dus wel nakomeling zijn van Nederlanders maar was ten tijde van WO2 GEEN NEDERLANDER. Zijn DSO en DFC zijn dan ook gewoon Gazetted geweest.

Gebruikersavatar
Ed van Engeland
Moderator
Berichten: 625
Lid geworden op: 09 Sep 2008, 14:47
Locatie: Friesland

Berichtdoor Ed van Engeland » 09 Sep 2008, 20:22

De afgebeelde KNIL-majoor is

J.F. Breijer MWO4

groeten,
@

Johnny
Berichten: 81
Lid geworden op: 17 Aug 2008, 12:53

Berichtdoor Johnny » 11 Sep 2008, 20:36

Ed,

Erik Muller had deze ook al achterhaald, ben hem hiervoor dankbaar.
Jij ook bedankt voor het uitzoeken en melden van deze naam.

Groeten,
Johnny

Gebruikersavatar
Ed van Engeland
Moderator
Berichten: 625
Lid geworden op: 09 Sep 2008, 14:47
Locatie: Friesland

Berichtdoor Ed van Engeland » 19 Sep 2008, 10:23

De foto van majoor J.F. Breijer die Erik zo genereus met ons deelde prikkelde mij tot enige naspeuringen naar deze bijzondere man, zijn militaire staat van dienst en de achtergronden bij zijn unieke combinatie van onderscheidingen. Het fotoportret in cabinet formaat werd gemaakt gedurende de periode van zijn verblijf in Nederland, na de bevordering tot majoor (1894-95). Breijer draagt het dagelijkse tenue M1894 (attila) van een hoofdofficier, herkenbaar aan de metalen knopen en de tressen van kamgaren.



J.F. Breijer MWO4

Johannes Franciscus Breijer werd geboren op 22 oktober 1852 te Gorinchem, als zoon van Johannes Breijer uit Brielle en Maria Gelijns uit Etten-Leur; de ouders huwden op 08-10-1845 te Venlo. Johannes Franciscus was de oudste zoon, vernoemd naar zijn vader (Johannes, geboren 19-02-1807, Brielle en overleden 04-02-1878, Brielle) en de grootvader van vaderszijde (Franciscus).

Op 21-08-1868 nam hij dienst als vrijwillig soldaat bij het Instructie-Bataljon, destijds gelegerd in de Kazerne aan de Oude Straat (in de jaren ‘30 Generaal J.B. van Heutszkazerne genoemd) te Kampen. Gedurende zijn bijna vijfjarige opleiding tot officier bij het Instructie-Bataljon werd hij als volgt bevorderd:
01-01-1869 Korporaal titulair
01-10-1869 Korporaal
01-12-1869 Sergeant titulair
11-06-1872 Sergeant
Tenslotte volgde per Koninklijk Besluit van 01-06-1873, Nr. 24, zijn aanstelling tot tweede luitenant bij het 4de regiment infanterie (Staf te Bergen-op-Zoom). Zijn naam wordt voor het eerst gevoerd in de Naam- en Ranglijst der Officieren voor het jaar 1874, waaruit blijkt dat hij is geplaatst bij het 3de bataljon van dit regiment, gelegerd te Vlissingen.
In de 19de eeuw waren er verschillende wegen die leidden naar een aanstelling als officier. In 1869 werd de Wet op het Academisch Onderwijs ingesteld, die vanaf 1872 van kracht was. Jonge mannen die over voldoende vooropleiding beschikten (HBS of Gymnasium) konden voor een beroepsopleiding naar de Koninklijke Militaire Academie (KMA) te Breda; militaire technici zoals artillerie- en genieofficieren moesten nog een speciale cursus aan een technisch instituut volgen. Op de KMA was de opleiding gesplitst in een cursus voor het Leger in Nederland en het Koloniale Leger (in Oost- of West Indië). Maar voor potentieel officiersmateriaal dat niet over de juiste vooropleiding beschikte, was er ook een omweg, via het Instructie-Bataljon in Kampen en de zogenaamde Hoofdcursus, waar men in enkel jaren aanvullend doelgericht onderwijs kreeg om op het gewenste niveau te komen.

Atjeh

Vanwege de toenemende hinder die de (internationale) scheepvaart, ook toen al, ondervond van piraterij en met name de zeeroverij zoals deze werd bedreven in de flessenhals tussen Sumatra en Maleisië en op de kusten van noordwestelijk Sumatra vanuit het Sultanaat Atjeh werd het Nederlandse Gouvernement gedwongen hiertegen op te treden. Dit was het gevolg van een Tractaat dat in 1824 tussen Groot-Brittannië en Nederland was gesloten, met daarbij de bepaling dat Nederland de soevereiniteit van het Sultanaat Atjeh zou respecteren. In 1871 sloten Nederland en Groot-Brittannië een nieuwe overeenkomst, waarbij de Nederlanders de kolonie Guinea, op de Afrikaanse westkust, overdeden aan de Britten en in ruil daarvoor de vrije hand kregen in geheel Sumatra. Behalve dat nu Sumatra verder kon worden gekoloniseerd en het landbouwcultuurstelsel kon worden uitgebreid, gaf het Nederland de mogelijkheid om gewapenderhand op te treden tegen Atjeh. Nadat een Nederlands ultimatum aan Atjeh was afgewezen werd op 21-02-1873 besloten een troepenmacht naar Atjeh te sturen (de eerste Atjeh-expeditie). Deze actie mislukte en op 17-04-1873 begonnen de troepen aan de terugtocht. Een tweede expeditie werd voorbereid, die tussen 14 en 21 november 1873 van Batavia naar Atjeh vertok, het begin van een langdurige strijd die tientallen jaren zou duren met aan Nederlandse zijde duizenden slachtoffers tot gevolg. Vanwege deze oorlog nam de omvang van het Leger in Oost-Indië drastisch toe en oorlogsnieuws uit deze gewesten was regelmatig te lezen in de kranten en geïllustreerde tijdschriften. Veel ex-dienstplichtigen, maar ook officieren van het Leger in Nederland, namen dienst bij het Oost-Indisch Leger.



Per KB van 27-04-1876, Nr. 19, wordt Breijer, na twee en een half jaar dienst als pelotonscommandant in Vlissingen, in rang en anciënniteit overgeplaatst naar het Wapen der Infanterie van het Leger in Oost-Indië, onder de bepaling dat hij (in de Naam- en Ranglijst) zal worden gerangschikt onmiddellijk onder de tweede luitenant B.G.L. Bouricius (wiens aanstelling eveneens dateert van 01-06-1873) en à la suite van het Koloniaal Werfdepot te Harderwijk. Dus vertrekt Breijer op 22 juli van de rede van Nieuwe Diep (Den Helder) met het stoomschip “Madura” naar Batavia, waar hij op 4 september debarkeert. Met dit transport reizen in totaal 6 officieren en 210 man naar de Oost, waarvan 6 officieren en 207 man op de bestemming aankomen. Drie man deserteerden tijdens de reis, hetgeen niet ongebruikelijk was, maar toch geen alledaags verschijnsel; in de periode 1826-1894 deserteerden in totaal 126 man tijdens de reis, op een totaal van 117.062 ingescheepte militairen, zodat het percentage amper 0,1% van het totaal is, en waarvan de helft verdween in de vijf jaren tussen 1873 en 1877. In de tijd van stoomschepen moesten nu eenmaal bunkerhavens worden aangedaan en ook de vaart door het Suezkanaal bood gelegenheid tot voortijdige beëindiging van de reis. Men moet wel in aanmerking nemen, dat een aanzienlijk deel van de soldaten niet de Nederlandse nationaliteit had, ons Nederlandsch-Indisch Leger was een equivalent van het Franse Vreemdelingenlegioen en onder de soldaten zullen zich dus ook spijtoptanten hebben bevonden.

Na een half jaar volgt Breijers bevordering tot eerste luitenant (KB 16-10-1876, Nr. 47), onder aantekening dat hij in de Naam- en Ranglijst wordt ingevoerd tussen de eerste luitenants R. Lodewijk en A.E. Stiemens. Dit soort aantekeningen houden verband met zijn aanstelling bij het Nederlandsch Leger (sic.), waardoor hij voor de juistheid wordt gevoerd in de lijsten van het Oost-Indisch Leger (ter onderscheiding van het West-Indisch Leger, dat er ook nog was) en waardoor telkens opnieuw hij op grond van zijn bevorderingsbesluit moet worden ingepast tussen officieren met een overeenkomstige anciënniteit. Waar hij verbleef in de periode tussen zijn aankomst en zijn effectieve plaatsing blijkt niet uit de stukken, maar waarschijnlijk was hij opgenomen in de boeken van het Suppletie-Depot te Meester-Cornelis (iets buiten Batavia) om te acclimatiseren en te worden ingewijd in de structuren en gewoontes van het Oost-Indisch Leger.

In die jaren bestond het Oost-Indisch Leger uit: Garnizoens-Bataljons, die (in garnizoen) waren gelegerd in bepaalde plaatsen op de verschillende eilanden, Depot-Bataljons (als aanvullingseenheden) en waarvan er drie op Java lagen met een vierde te Padang op Sumatra; vier Subsedisten-Kaders voor officieren die overige diensten verrichtten; een Suppletie-Depot op Java en een (uitgebreide) troepenmacht aan de oostkust van Sumatra, dat een bijzondere status had binnen het Rijk van Insulinde.
Het Oost-Indisch Leger had een geheel eigen commando en structuur, dat resorteerde onder de Gouverneur-Generaal, met een Departement van Oorlog, die met zijn militaire staf in Batavia bivakkeerde. De Generale Staf maakte een min of meer onafhankelijk, executief deel uit van deze administratieve organisatie, deze staf stuurde de Gewestelijke en Plaatselijke Staven op de eilanden aan, alsmede de 18 (genummerde) veldbataljons die eveneens lokaal in garnizoen lagen.

Per 20 maart 1877 werd Breijer overgeplaatst naar het 13de Veldbataljon te Soerabaya. Na hier enige ervaring te hebben opgedaan werd hij een half jaar later (01-08-1877), bij reorganisatie, overgeplaatst naar het 2de Veldbataljon te Atjeh. De officiële overplaatsing volgde per besluit van 13-11-1877, Nr. 13, met als ingangsdatum 06-09-1877. Hier viel hij onder het bevel van de Militaire en Civiele Bevelhebber te Atjeh, de legendarische generaal-majoor Karel van der Heijden die lokaal beter bekend was als “Kareltje Eenoog”. De Nederlandse verdediging van het gebied was feitelijk beperkt tot het gebied rondom Kota Radja in het uiterste noordwesten van het eiland Sumatra. Van uit deze zone voerden de Nederlands-Indische troepen patrouilles uit in het aanpalende gebied om de opstandelingen te beperken in hun activiteiten en de kampongs te beveiligen tegen de guerrilla-activiteiten van de Atjehse opstandelingen. Activiteiten die sterk doen denken aan het optreden van het Amerikaanse leger in Vietnam en de huidige inspanningen van Nederlandse troepen in Afghanistan (what’s new?). De Atjehse opstandelingen wilden hun oude leven terug en dat betekende dat de Nederlanders weg moesten, het Nederlands-Indische Gouvernement wilde het gebied pacificeren en orde, recht en vrede naar Nederlandse normen vestigen, de lokale bevolking zat, zoals meestal in dergelijke situaties, tussen hamer en aambeeld. Grootschalige militaire acties hadden nauwelijks succes, ofschoon de Nederlandse militaire commandanten zich volop bedienden van inheemse soldaten, maar Nederlands-Indië was een enorm eilandenrijk en de inheemse militairen van het ene eiland waren niet zo bekend met de mores van het andere.

Een veldbataljon bestond in de regel uit Europese, Amboneese, Afrikaanse en Inlandse soldaten. Deze Afrikaanse troepen waren afkomstig uit Guinea, het gebied dat Nederland afstond aan Groot-Brittannië en waar ook soldaten waren gerekruteerd. Naarmate de contracten verliepen, nam het aantal Afrikaanse soldaten bij het Nederlands-Oostindisch Leger af. In de regel waren er per bataljon één of twee Nederlandse compagnieën, één of twee Amboneese dan wel Inlandse en één Afrikaanse compagnieën. De inlandse troepen (ter onderscheid van de Amboneese) waren gerekruteerd op Java of de andere eilanden; het Leger was dus in vele opzichten een Vreemdelingen Legioen, want veel van deze soldaten spraken verschillende talen/dialecten en hadden verschillende religies (hoofdzakelijk Moslims, Hindoes, Christenen). De Nederlandse officieren hadden de taak uit deze diversiteit een effectief functionerende militair apparaat te formeren, geen peulenschil.

Breijer werd per 12 april 1878 overgeplaatst naar het 3e Depot-Bataljon en na een half jaar (per 12 november) van daaruit naar het Subsedisten Kader te Batavia. Na nog een half jaar volgde zijn overplaatsing naar de 2de Afdeling van het Departement van Oorlog te Batavia. In die tijd was deze 2de Afdeling verantwoordelijk voor Personele en Militaire Zaken betreffende infanterie en cavaleriepersoneel. De commandant van het 1e Bureau van de 2de Afdeling was majoor W.Q.E. Vetter, die later als bevelhebber lauweren zou oogsten in de actie tegen Lombok; het Leger in Nederlands Oost-Indië was een relatief kleine gemeenschap waar men elkaar overal weer in andere situaties kon tegenkomen. De 2de Afdeling stond onder bevel van generaal-majoor Wiggers van Kerchem, die onlangs in Atjeh een MWO4 verdiende en kort daarop een MWO3, Ridders MWO weren in die tijd geen zeldzaamheid bij het Oost-Indisch Leger. Breijer werd ook voor deze gelegenheid à la suite gevoerd bij zijn Wapen.

Klaarblijkelijk was Breijer zijn superieuren in positieve zin opgevallen, want per 12 juli 1881 was de commandant van het Leger in Nederlands Oost-Indië gemachtigd hem naar Nederland te sturen om een cursus voor Algemene Krijgskundige Studiën aan de 2de Afdeling van de Krijgsschool, destijds te Breda, bij te wonen. Deze bijzondere eer viel alleen bijzondere officieren te beurt en dikwijls was de uitkomst dat ze werden benoemd aan een generale staf. In latere tijden zouden zij zich het Brevet Generale Stafbekwaamheid kunnen verwerven, waardoor de generaalsrangen binnen bereik kwamen.; in potentie werden deze officieren dus beschouwd als materiaal waaruit generaals kunnen groeien. In 1875 was de “Stafschool”als opleidingsinstituut voor stafofficieren, wegens de slechte output, gereorganiseerd tot “Krijgsschool voor Officieren”. In dezelfde tijd, rond 1875, werd ook de generale staf van het Leger in Oost-Indië anders ingericht o.m. door toevoeging van een zogenaamde Topografische Dienst, met als doel strategische informatie te verzamelen en te beheren.
De Krijgsschool telde twee afdelingen, de 1e Afdeling te Breda, gekoppeld aan de KMA, en de 2e Afdeling (Generale Staf) te ’s Gravenhage, bedoeld als hogere militaire vorming.

Op 18 juli 1881 vertrok Breijer met een Franse mailboot van Batavia naar Nederland, waar hij op 2 september arriveerde. Na twee jaar in het vaderland voer hij op 17 november 1883 vanuit Rotterdam met het stoomschip “Prins van Oranje” terug naar Nederlands-Indië, om op 8 januari weer voet aan wal te zetten. Daar voltrok het bekende ritueel zich, met een plaatsing bij het Subsidisten Kader te Batavia per 14 januari 1884, gevolgd door een overklaatsing naar de 2de afdeling van het Departement van Oorlog, waar hij al eerder werkzaam was geweest.

Na vier maanden bij het Departement van Oorlog, werd hij per 30 juli 1884 overgeplaatst als adjudant van de Militaire Commandant van Atjeh en Onderhoorigheden, kolonel Schäfer MWO4, een Atjeh-veteraan van het eerste uur, en diens opvolger kolonel Demmeni MWO3, die eveneens zijn sporen in Atjeh had verdiend en het klappen van de zweep daar kende. Begin november 1883 was het Britse koopvaardijschip “Nisero” bij Panga op de westkust van Atjeh gestrand en de bemanning was door de radja van Tenom gevangen genomen. De assistent-resident, een civiele bestuurder van het Gouvernement, en Schäfer deden hun best de opvarenden door onderhandelingen los te krijgen, maar zonder succes. Dit leidde tot een internationale kwestie toen ook de Britse regering zich ermee inliet. Schäfer, die voor de lastige taak stond zowel de civiele kool als de militaire geit te sparen werd afgeserveerd. Nieuwe bezems vegen schoon; Demmeni werd benoemd tot zijn opvolger en hij begon krachtig met een strafexpeditie tegen Tenom, toch zou het tot 10 september duren eer de schipbreukelingen tegen losgeld werden uitgeleverd en de radja zich, voorlopig, zou voegen naar de Nederlandse wensen. Dit was ook het einde van een gescheiden civiel en militair bestuur, Demmeni werd benoemd tot Civiel en Militair Gouverneur van Atjeh. Eind september 1884 begon Demmeni met de aanleg van een sterk verdedigde linie, die het door de gouvernementstroepen gecontroleerde del van Atjeh scheidde van de onvriendelijke rest van het gebied. Het duurde ongeveer een half jaar voor deze equivalent van Hadrian’s Wall gereed was; de voor deze gelegenheid aangetrokken 10de en 11de bataljons konden nu worden teruggezonden naar Java, in acht jaar tijd was men niet veel opgeschoten. Langs de verdedigde linie werd een stoomtramverbinding aangelegd die, evenals de linie, regelmatig werd geteisterd door aanvallen vanuit het ongecontroleerde gebied. Maar voor die tijd was Breijer al weer terug in Batavia.

Tijdens de hierboven beschreven periode, vanaf augustus 1884, viel Breijer op door zijn buitengewone plichtsbetrachting, zijn ijver en inspanning. Hij stond kolonel Demmeni als adjudant en coördinator van de communicatie flink en trouw terzijde. Dit hield in dat hij in hoge mate verantwoordelijk was voor het berichtencentrum, en dus voor het welslagen van de militaire operaties in een tijd waarin elk bericht nog mondeling of schriftelijk (op papier) moet worden overgebracht. Hiertoe was een ordonnansdienst ingericht, met renners en ruiters die zorgden voor het overbrengen van de commando’s naar, maar ook van de gevechtsinformatie vanuit, de verspreide eenheden. Zonder deze informatie was de commandant van een hoger echalon niet in staat zich een goed beeld te vormen van de verschillende (gevechts)locaties. Blijkbaar was Breijer ook niet te benepen om zelf berichten over te brengen en zich ter plekke te informeren, aangezien hij met moed en beleid onder vijandelijk vuur de gevaarlijke taken van een ordonnans op zich nam. Dit resulteerde erin dat hij door zijn commandant, kolonel Demmeni, werd voorgedragen voor een benoeming als ridder in de Militaire Willemsorde wegens zijn krijgsverrichtingen in de periode van juli 1886 tot februari 1887 (mutatienummer 4514, benoeming per Koninklijk Besluit van 10 mei 1887, Nr. 25)

Hij werd per 21 december 1886 eervol ontheven van zijn betrekking als adjudant, vrijwel gelijktijdig met het overlijden van kolonel Demmeni, die op 13 december was overleden aan de gevolgen van de gevreesde beri-beri die talloze levens eiste; zelfs de Tweede Kamer herdacht de kolonel. Maar de Commandant van het Leger in Nederlands Oost-Indië, luitenant-generaal Pfeiffer, MWO3, had iets anders in gedachten voor de energieke Breijer. De voordracht van Breijer voor een dapperheidsonderscheiding was Pfeiffer ongetwijfeld niet ontgaan en gegeven Breijers cursus aan de Krijgschool, de inzet als adjudant van Demmeni en de herhaalde detacheringen bij het Departement van Oorlog in Batavia werd hem een ander, hoogst interessant klusje, een detachering bij de Britse troepen die in actie waren in Birma.

De acties van de Britse en Brits-Indische troepen en vlooteenheden in Birma 1885-1857.

Aanleiding voor deze militaire expeditie, was het optreden van de Boeddhistische Birmese koning Thibau (deze naam wordt ook wel weergegeven als: Thibaw, Thibaw Min, Theebaw, Theobaw) (geboren 1-1-1859, overleden 29-11-1916), die zich verzette tegen de toenemende Britse kolonisering van zijn land. Deze vorst volgde op 1-10-1878 zijn vader op als koning. Op dat moment was reeds de zuidelijke helft van Birma al meer dan dertig jaar en tegen de wens van de bevolking bezet door de Britten, die het land gebruikten als wingewest voor hout en andere grondstoffen. De nieuwe koning wilde de zeggenschap over zijn gebieden herstellen en in het begin van de tachtiger jaren probeerde hij betrekkingen aan te knopen met een andere belangrijke kolonisator, Frankrijk, met het doel steun te vinden voor zijn anti-Britse bedoelingen. Dit was zeer tegen de wens van de Britten en de betrekkingen met de Britten, die in dezen werden vertegenwoordigd door de onderkoning van India Lord Dufferin, verslechterden in toenemende mate. Toen rond 1885 een officiële Britse delegatie de schoenen moest uittrekken alvorens het koninklijk paleis te betreden barstte de bom. De delegatie weigerde aan de Koninklijke eis te voldoen en als resultaat werd hen de toegang ontzegd tot de noordelijke hoofdstad Mandalay. Koning Thibau riep zijn onderdanen op het zuidelijk deel van het land te onttrekken aan Brits kolonialisme, in bijzonder de hegemonie van de Bombay and Burma Trading Company die grote oppervlakten hout kapten ten behoeve van de Britse (scheeps)bouw.
Hierop verklaarden de Britten Thibau tot tiran die eerder met diens vader gesloten verdragen niet nakwam en ze besloten de totale kolonisatie van Birma, die eerder was aangevangen in 1824, te voltooien. Lord Dufferin stuurde koning Thibau een ultimatum dat tot doel had de Britse onderdanen en belangen te beschermen, maar de koning legde dit naast zich neer zodat op 8-11-1885 de oorlog uitbrak.

De Britten stuurden nu voor de derde keer een expeditie naar Birma, eerdere militaire expedities tegen dit gebied vonden plaats in 1823-1826 en 1852-1853. Generaal-majoor H.N.D. Pendergast, VC. leidde een leger van 11.000 man verdeeld over drie brigades bestaande uit Britse en Brits-Indische cavalerie, artillerie, infanterie, genie, transporttroepen en militaire politie, ondersteund door olifanten en een vloot van platbodemvaartuigen waarmee de Irrawaddy rivier werd op gevaren. De Royal Navy leverde ondersteuning vanaf zee met een eskader van zes schepen en enkele transportschepen van de Britse Oost-Indische Marine. Op 8 november 1885 verklaarden de Britten de oorlog en een week later trokken grondtroepen de grens over, nadat marine-eenheden de kust hadden geblokkeerd on eventuele Franse initiatieven bij voorbaat te smoren. In drie weken tijd bereikte Pendergast Mandalay en koning Thibau gaf zich op 26 november over. De Britten ontmantelden het rijk ingerichte paleis en veel van de veroverde kunstschatten vonden hun weg naar Londen, waar ze belandden in het Victoria and Albert Museum. De koning en de Koninklijke familie werden gevangen genomen en afgevoerd, uiteindelijk belandden ze in Ratnagiri bij Bombay waar ze in voortdurende ballingschap zouden verblijven.

Na de val van Mandalay en de gevangenneming van de koning, riep de broer van Thibau, op tot een guerrilla tegen de Britten. Deze guerrillastrijders werden dacoits (bandieten) genoemd en ze waren zo hinderlijk, dat de Britten zich genoodzaakt zagen meer troepen vanuit India naar het betrokken gebied te sturen. Het verzet tegen de Britten zou nog minstens twaalf jaar voortduren.

De Gouverneur-Generaal van Brits-Indië besloot op 22-12-1843, na afloop van de tweede expeditie tegen Birma, tot instelling van de India General Service Medal met de gesp “Pegu”. In successie werden vierentwintig gespen vastgesteld die op het lint van deze medaille konden worden gedragen, alle voor militaire acties in en rond Brits-Indië; de tiende van deze was een gesp met het opschrift “Burma 1885-7” voor de bovengenoemde expeditie. Deze gesp werd verleend voor deelname aan militaire acties tussen 14-11-1885 en 30-04-1887. Voor het vervolg van de expeditie tegen de rebellen werd een tweede gesp “Burma 1887-89” ingesteld over de periode 01-05-1887 tot 01-04-1889, en een derde gesp “Burma 1889-92” voor de periode 16-04-1889 tot 18-04-1892.
De medaille bleef ruim veertig jaar in gebruik (1854-1895) en is in dat opzicht vergelijkbaar met het Nederlandse Kruis voor Belangrijke Krijgsverrichtingen.


Het was niet ongebruikelijk dat Nederlandse officieren, dikwijls als waarnemer, aanwezig waren bij militaire conflicten tussen andere landen. Zo werden bijvoorbeeld ook Nederlandse officieren die cursussen de Krijgsschool hadden gevolgd gedetacheerd bij Franse en Duitse staven tijdens de Frans-Duitse Oorlog van 1870-71. Een andere prominente ridder der MWO, Thomson, was op dezelfde wijze waarnemer tijdens de Boerenoorlog van 1899-1902 in Zuid-Afrika.
In elk geval kreeg Breijer per 20 december 1886 toestemming om zes maanden naar Birma te gaan om tijdelijk bij de expeditionaire militaire troepen aldaar te worden ingedeeld. Zoals uit het bovenstaande blijkt, waren de Britse acties vergelijkbaar met die der Nederlandse militaire eenheden in Atjeh, het bestrijden van een guerilla onder min of meer vergelijkbare omstandigheden. Op 19 maart 1887 werd besloten Breijer op te dragen, alvorens terug te keren naar Nederlands-Indië, zijn opwachting te maken bij de onderkoning van Brits-Indië (de directe vertegenwoordiger van koningin Victoria) en de bevelhebber van de troepen aldaar. Dit werd zo belangrijk geacht, dat hij hiervoor zelfs twee maanden langer mocht wegblijven. Hieruit valt overigens eveneens te concluderen, dat Breijer redelijk tot goed Engels sprak, hetgeen in die tijd niet algemeen gebruikelijk was.

Breijers missie werd blijkbaar zo hoog gewaardeerd, dat hij per besluit van 19 maart 1887, Nr. 7, de opdracht kreeg om vóór zijn terugkeer naar Nederlands-Indië zijn opwachting te maken bij de Onderkoning van Brits-Indië en de legerbevelhebber aldaar. Dientengevolge werd zijn detachering zelfs met twee extra maanden verlengd.
Na zijn terugkeer had hij recht op een korte periode inlands verlof, tevens bedoeld om zijn ervaringen in Birma te boek te stellen en uit te werken; het was uiteindelijk niet bedoeld als een vakantiereisje maar vooral om lering uit te trekken, niet voor Breijer persoonlijk, maar meer voor het Leger in Oost-Indië. Allerlei details van de Brits-Indische expeditie werden geanalyseerd, op strategisch, tactisch en operationeel niveau, de logistiek, de samenwerking met de marine, keuzes voor bepaalde middelen, rantsoenering, omgang met krijgsgevangenen, etc. Het was een stage, niet in de eerste plaats voor de betrokken officier persoonlijk, maar vooral ter lering van het Leger in Oost-Indië, op wiens kosten en met wiens instemming Breijer deze bijzondere gelegenheid te beurt viel. Zijn ervaringen werden vergeleken met de manier waarop het Leger in Oost-Indië opereerde en als het nuttig werd geacht, werden de methodes aangepast.

Vervolgens, van 9 juli tot en met 31 december 1887 werd Breijer gedetacheerd bij het Hoofdbureau van de Generale Staf te Batavia, vanuit het Subsdistenkader te Batavia.
Waar hij daarna verblijft blijkt niet uit de Naam- en Ranglijsten, maar in 1892 wordt hij vanuit de Generale Staf van het Oost-Indisch Leger gedetacheerd als docent bij de Hogere Krijgsschool in Nederland. Voorafgaande aan deze detachering had hij recht op Europees verlof en deze gelegenheid heeft hij blijkbaar gebruikt om op 17 september 1890 in Bergen op Zoom in het huwelijk te treden met Dorothea Louisa Mollink, afkomstig uit Hengelo. Hij was toen al 37 jaar oud, maar uit veelvuldige studie van de carrières van Nederlandse officieren bij het Oost-Indisch Leger blijkt, dat ze dikwijls op latere leeftijd trouwden, gedurende hun Europese verlof, met Nederlandse vrouwen. Hoe deze huwelijken tot stand kwamen is onderwerp van ander onderzoek. Hierbij wordt opgemerkt, dat het in het behandelde tijdgewricht, ook in Nederland, de algemeen huwbare leeftijd voor mannen dichter bij de dertig dan bij de twintig jaar lag. Ook een kapitein van het Leger in Oost-Indië was een groot deel van zijn inkomen kwijt aan dagelijkse, noodzakelijke, kosten die niet werden gedekt door het leger. Bewassing, een huishoudster, wellicht en bediende annex tuinman, extra (Europese) voeding, kleermakerskosten (officieren droegen de kosten van hun persoonlijke uitrusting), extra reiskosten, lidmaatschappen van officiers- en Europese verenigingen, het koste allemaal veel geld. Een kapiteinsinkomen was nauwelijks genoeg om dit te dragen. In Nederland was men verzekerd van het eigen sociale netwerk, maar in Indië, en zeker in het ver van Batavia gelegen Atjeh, was dat een ander verhaal.

Maar zijn detachering bij de Hogere Krijgsschool verschafte hem een bonus, omdat het verblijf in Nederland duurder werd geacht dan het ‘goedkope’ Indië. Bovendien was er zijn bevordering tot majoor, per 31 augustus 1894. Dat bracht vanzelfsprekend wel kleermakerskosten met zich mee, want een majoor was herkenbaar aan een met goudgalon belegde kraag, en aan de schouder een snoer met bouillons (van dik gouddraad gedraaide kwasten) in plaats van de dunnere torsaden die behoorden bij de kapiteinsrang. Zijn eerste traktement zal dus wel grotendeels naar de (Nederlandse) kleermaker zijn gegaan.
Aan de Hogere Krijgsschool was Breijer een docent met gezag. Hij was destijds de enige onder zijn colega’s die een MWO op de borst van zijn Indisch uniform droeg, tezamen met nog wat andere medailles, en dat maakte indruk. De vakken die hij doceerde waren: Taktiek, Leer van het krijgswezen, Stafdienst en Legerverpleging (i.c. transport en bevoorrading). Geen theoreticus, maar een pragmatisch en ervaren leraar die zijn lessen met praktijkvoorbeelden kon staven, maar deze functie was van korte duur. In 1895 keerde hij terug naar Nerdelands-Indië, waar hij was ingedeeld bij de Generale Staf. Zijn commandant, als Chef van d Generale Staf, was generaal-majoor (der artillerie) Moulin, eveneens een veteraan van de eerste Atjeh-expeditie. De Generale-Staf bestond uit drie luitenant-kolonels, drie majoors en een ruime handvol kapiteins.

Breijer werd bevorderd tot luitenant-kolonel per 24 mei 1896, en kreeg een plaatsing als commandant van een der veldbataljons. De alledaagse (administratieve) beslommeringen van een troepencommando, als bataljonscommandant, had Breijer nog niet mogen smaken, dus deze plaatsing was logisch, zelfs voor zo’n hoogvlieger als hij leek te zijn, al was ’t maar om het contact met de grond niet te verliezen. Uiteindelijk werd dit ook zijn eindstation. Breijer werd in 1897 nog gedecoreerd als Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, een niet te onderschatten blijk van Koninklijke waardering die zeker niet als algemeen mag worden gekwalificeerd! Hij werd in 1898 gepensioneerd, in de leeftijd van 48 jaar en met dertig dienstjaren (waarvan tweeëntwintig bij het Oost-Indisch Leger) en onder gelijktijdige bevordering tot kolonel.
Breijer keerde na zijn pensionnering terug naar Nederland om zijn huwelijk te genieten en daar overleed hij te Scheveningen op 15 maart 1915 als gepensioneerd kolonel titulair. Zijn decoraties werden, blijkens aantekening in het register van het Kapittel, geretourneerd.

Gedurende zijn diensttijd verwierf Breijer zich de volgende eretekens:
• Ridder in de Militaire Willemsorde, 4de klasse “Terzake zijn krijgsverrichtingen in Atjeh gedurende het tijdvak van juli 1886 tot februari 1887” [KB, 10-05-1887, Nr.25; Gouv.Besl. 30-06-1887, Nr.19; Dagorder 1887, Nr.14]
• Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, per KB van 29 juli 1897, Nr. 19.
• Kruis voor Belangrijke Krijgsverrichtingen (i.c. Expeditiekruis) met de gespen: “Atjeh 1873-85” en “Samalangan 1877”.
• Ereteken voor eervolle langdurige dienst als officier met het cijfer XXV
• De Britse India General Service Medal, met de gesp”Burma 1885-7”. (MvB)

Bronnen:
• “Van Holland naar Indië – Het transport van koloniale troepen voor het Oost-Indische leger 1815-1909”, drs. M.P. Bossenbroek, Uitg. De Bataafsche Leeuw, 1986.
• “Voor Moed, Beleid, Trouw – verzameling van dagorders etc. van het KNIL”, Batavia, 1939.
• “Wapenfeiten van het Nederlandsch-Indisch Leger”, G.L. Kepper, ’s-Gravenhage, 1899.
• Naam- en ranglijsten der officieren etc. [jaren 1873-1899]
• “Honderdvijftig jaar Generale Staf – overzicht van de ontwikkeling van de Koninklijke Landmacht” Gedenkboek t.g.v. de dag waarop werd besloten tot de samenstelling van een Nederlandse Generale Staf, ’s-Gravenhage, 1994.
• Genlias (www.gnlias.nl) informatie uit de registers van de Burgerlijke Stand.
• Register MWO

Gebruikersavatar
Ed van Engeland
Moderator
Berichten: 625
Lid geworden op: 09 Sep 2008, 14:47
Locatie: Friesland

Berichtdoor Ed van Engeland » 19 Sep 2008, 10:41

Rectificatie op mijn uiteenzetting m.b.t. Breijer:
Een kapitein droeg 2 kwasten met bouillons i.p.v. 3 kwasten met torsaden, deze laatsten behoorden bij de rang van eerste-luitenant; een majoor was dus herkenbaar aan 3 kwasten met bouillons.

Gebruikersavatar
Roel
Moderator
Berichten: 2497
Lid geworden op: 12 Jun 2007, 07:42
Locatie: -Limburg-
Contact:

Berichtdoor Roel » 19 Sep 2008, 10:42

Prachtige informatie Ed, het is je gelukt om een foto tot leven te wekken!
Heeft u informatie over items uit mijn collectie? Neem dan contact met mij op..
beheerder http://www.onderscheidingenforum.nl
Lid van SRO en OMSA

Johnny
Berichten: 81
Lid geworden op: 17 Aug 2008, 12:53

Berichtdoor Johnny » 21 Sep 2008, 11:16

Nogmaals mijn dank voor deze geweldige informatie :!:

Gebruikersavatar
erikscollectables
Moderator
Berichten: 226
Lid geworden op: 02 Jun 2008, 10:58
Contact:

WOW

Berichtdoor erikscollectables » 22 Sep 2008, 06:48

Wow Ed,

Echt een superverhaal! Daar zit wel even wat werk in!


Terug naar “Project Biografiën Ridders Militaire-Willemsorde”

Wie is er online

Gebruikers op dit forum: Geen geregistreerde gebruikers en 1 gast